Historie 1881-1981
EEN VITALE HONDERDJARIGE
Het begon allemaal op een donkere dag in november van het jaar 1881. Een aantal jonge mensen kwam bijeen in een lokaal van de Weeshuisschool in de Koningstraat om met het hoofd van deze school, de heer L. Plette, te spreken over de oprichting van een koor. Het was direct duidelijk, dat het "eene Protestantsche of Christelijke Zangvereeniging" moest worden. Zeventien dames en zeventien heren meldden zich als lid van de "ChristeIijke Zangvereeniging Excelsior". De heer Plette, van wie het initiatief was uitgegaan, nam de leiding en in studie werd genomen een motet van de in die dagen zeer gewilde Duitse componist Ferdinand Möhring.
Natuurlijk ontkwam de pasgeborene niet aan enige kinderziekten. De naam beviel niet zo goed en werd dan ook in 1882 veranderd in "Haagsche Zangvereeniging Excelsior". Er werd lang gediscussieerd over de noodzaak van het gebed voor de aanvang van de repetities. Tenslotte werd gekozen voor het koraal.

Een opname van het koor uit het eerste decennium van zijn bestaan. De leden hebben zich vóór en aan weerszijden van het verenigingsvaandel opgesteld. De oudere man met de volle baard vooraan in het midden is Lodewijk Plette, de dirigent van het eerste uur.
Na een jaar was de baby al aardig uit de kluiten gewassen; het aantal werkende leden bedroeg 94 in totaal.
De eerste openbare uitvoering, gegeven in het oefeningslokaal in het Venduhuis, Nobelstraat, was al achter de rug. Het programma bevatte werken, onder meer van Bastiaans, Möhring en Viotta, benevens enige pianosoli, gespeeld door de heer Rooks, de pianist-begeleider. Toegangsprijs voor dit concert - schrik niet - ƒ 1,-. Enige tijd hierna kon men door het uitschrijven van 15 aandelen à ƒ 10,- een piano aanschaffen. Nu er toch over prijzen gesproken wordt, in een kasboek uit 1882 werd in keurig handschrift genoteerd:
"voor 1 vigilant naar 't weeshuis op 4 jan. ten dienste van den Directeur ƒ 0,50, wachtloon nachtwaker van politie ƒ 0,50, voor de oppasser bij de oefeningen A. Bout 5 x ƒ 0,30."
Deze Heer Bout had een lucratief baantje, want zijn naam komt men herhaaldelijk tegen. In 1883 bleek zijn honorarium trouwens verhoogd te zijn tot ƒ 0,35 per keer.
Het jaar 1882 was voor Excelsior een belangrijk jaar. Op een buitengewone vergadering ten huize van commissaris P.G. Smelik werden de Statuten en het Huishoudelijk Reglement voorgelegd. Artikel 1 van de Statuten luidde: "De Haagsche Zangvereeniging Excelsior is gevestigd te 's Gravenhage en opgericht voor den tijd van 29 jaar en elf maanden, gerekend van 30 November 1881."
Er begon een buitengewoon actieve periode. Al gauw kon men in Haagse muziekkringen vernemen: "Dat jonge koortje Excelsior mag er wezen." Het was dan ook geen wonder, dat Excelsior uitgenodigd werd om in november 1883 mede te werken aan de viering van Luthers 400e geboortedag in de Lutherse Kerk. Het programma bevatte onder andere Lobgesang van Mendelssohn, motetten van Haydn en Möhring en een cantate van Bach.
Het openbaar optreden ging een steeds ruimere plaats innemen in het leven van het jonge koor. Om enkele grepen te doen: in 1884 had een concert plaats in het Gebouw voor K. en W. ter ere van het bezoek van een Deputatie der Zuid-Afrikaanse Republiek. In 1885 werd meegewerkt aan een bijeenkomst "tot opwekking van belangstelling in den arbeid der weezenverpleging te Neerbosch" in de Lutherse Kerk, in 1886 zong Excelsior op een openbare vergadering van de "Nederlandsche Vereeniging tot afschaffing van sterken drank", in 1887 werd vocale luister bijgezet aan een bijeenkomst van de "Haagsche Stuiversvereeniging voor het Nationale Schoolonderwijs."
Ter verbetering van de kwaliteit werd in 1885 op een vergadering besloten om aan het koor een voorbereidende zangklasse te verbinden.
In 1890 meldde zich de eerste mutatie in het muzikale leiderschap. Lodewijk Plette ging op eigen verzoek heen en werd opgevolgd door Samuel de Lange. In 1893 werd diens plaats ingenomen door Anton Verhey, hierna kwam in 1895 Anton Tierie en tenslotte nam in 1899 Jaap Spaanderman de dirigeerstok op om deze tot 1908 in handen te houden. Excelsior bleek de stormen van deze veranderingen goed te doorstaan en een steeds belangrijkere plaats te gaan innemen in het Haagse muziekleven. Toen op 16 december 1891 het 10-jarig bestaan werd gevierd met een concert in het Gebouw voor K. en W., waarop onder andere een cantate van Bach en een psalm van Händel vertolkt werden, kon Excelsior terugkijken op een gelukkige jeugd.
Dat al heel vroeg de banden met het Koninklijk Huis aangehaald werden, kan men in de jaarverslagen lezen. Op 25 juni 1890 werd medewerking verleend aan een Christelijk Zangersfeest op "Maria's Lust" te Apeldoorn. Aanwezig waren H.M. Koningin Emma en kroonprinses Wilhelmina.
Aardig is het een verslag van een concert op 10 maart 1897 te lezen in "De Lofstem", het orgaan van de Bond van Christelijke Zangverenigingen in Nederland, waarop aanwezig waren: "een Minister van Staat met zijne echtgenoote en menigen werkman met zijne huisvrouw." In dit verslag de volgende uitspraak: "Wij mogen niet verzwijgen, dat bij velen in Den Haag in 't geheim eenige twijfel gerezen was of Excelsior zich wel op waardige wijze van de gestelde taak zou kwijten." Welnu, al spoedig bleek de "waardige wijze" en wel in die vorm, dat nog hetzelfde jaar het eerste volledige oratorium met succes ten uitvoer gebracht werd: Elias van Mendelssohn. Vanzelfsprekend was Excelsior ook present op de dag van de plechtige inhuldiging van Koningin Wilhelmina 6 september 1898. Het koor zong in het gebouw van de Christelijke Volksbond.
Toen dirigent Samuel de Lange zijn functie neerlegde, gebeurde dit met een speciaal afscheidsconcert in de Kloosterkerk op 4 mei 1893, waarbij diens aan Excelsior opgedragen cantate voor soli, koor en orgel De Opstanding ten gehore werd gebracht.
De stap naar de twintigste eeuw werd vol ondernemingslust genomen. Er waren wel enige obstakels op de weg, zoals de minder gunstige samenwerking met dirigent Jaap Spaanderman, "wiens ernst en beleid wel eens wat te wenschen overliet", maar deze mochten de vocale vreugde niet storen.
Op 22 september 1900 zong het koor bij de plaatsing van een gedenksteen in de Regentessekerk door H.M. de Koningin-Moeder en in 1901 werd vol enthousiasme het 20-jarig bestaan gevierd. Ook klonk voor het eerst Die Schöpfung van Haydn.
Met het evenwicht tussen de verschillende stemgroepen was het nog altijd niet gunstig gesteld, met andere woorden, er waren veel te weinig tenoren en bassen, waardoor leentjebuur gespeeld moest worden bij andere koren, wanneer de grote uitvoeringen in zicht kwamen. Hiertegen werd evenwel ernstig bezwaar gemaakt, nadat "enkele (heren) zich minder gepast tegenover de dames hadden gedragen".
De band met het Koninklijk Huis werd steeds hechter. Op 24 januari 1904 werd medewerking verleend aan een godsdienstoefening ter herdenking van het feit dat H.M. de Koningin-Moeder 25 jaar geleden naar Nederland gekomen was. De gehele Koninklijke familie was daarbij aanwezig.
In 1906 kreeg Excelsior bij zijn 25-jarig bestaan van Koningin Wilhelmina het predicaat "Koninklijke".
Het zou natuurlijk te ver voeren om alle openbare manifestaties, die de "Koninklijke Zangvereeniging Excelsior" in de loop der volgende jaren gaf, op te sommen, maar een aantal markante evenementen dienen toch wel onder de aandacht gebracht te worden.
Zo werd onder andere vocale luister bijgezet aan de doopplechtigheid van Prinses Juliana op 5 juni 1909 in de Willemskerk.
In hetzelfde jaar werd voor het eerst Bachs Johannes Passion uitgevoerd. Dit gebeurde onder leiding van de nieuwe dirigent Johan Schoonderbeek, want na lang beraad was Jaap Spaanderman ontslagen, omdat hem, zoals in de notulen opgetekend werd, het "feu sacré" ontbrak. Er moest in 1910 wel een commissie in het leven geroepen worden om de wanordelijkheden in de Grote Kerk tijdens de uitvoering van de Johannes Passion tegen te gaan. Dit temeer, omdat Koningin Emma de gewoonte had aangenomen de manifestaties bij te wonen. Het was overigens een betekenisvol jaar, want Excelsior, dat in die tijd bestond uit 73 sopranen, 63 alten, 25 bassen en 9 tenoren, had de eer twee concerten in de Berlijnse Filharmonie te mogen geven met een programma van uitsluitend Nederlandse werken. Ook werd Bachs Matthäus Passion in studie genomen.
Op 11 april 1911 klonk in de Grote Kerk voor het eerst de Matthäus Passion van Bach onder leiding van Johan Schoonderbeek met als solisten Tilia Hill, Pauline de Haan, Albert Jungblut, Hendrik van Oort en Jac. Caro. Hiermede werd een waardevolle traditie gevestigd.
Affiche uit 1911 voor de allereerste uitvoering door Excelsior van de Matthäus Passion. Het ging toen nog om een verkorte versie. Pas in 1932 voerde het koor het werk voor de eerste maal in integrale vorm uit.
Het "verhuizen" van de uitvoering van de Matthäus Passion naar de Willemskerk twee jaar later, omdat de Grote Kerk gerestaureerd werd, had wel enige consequenties. Er was daar nog altijd gasverlichting en Excelsior prefereerde de nieuwe elektrische verlichting boven de galerij, waar het koor opgesteld werd. Deze kwam er, maar moest dan wel door het koor betaald worden, wat een grote hap uit het budget was: ƒ 900,-. Wanneer men bedenkt, dat in die tijd advertenties in de kranten verschenen als: "Juffrouw biedt grondig onderricht op de viool aan à ƒ 0, 75 per lesuur", dan begrijpt men de hoogte van dit bedrag.
Belangrijk was in 1913 de medewerking aan het concert ter viering van de 100-jarige onafhankelijkheid van Nederland samen met de Chr. Oratoriumvereniging uit Amsterdam en het Concertgebouworkest. Het programma had tot doel "den nationalen snaar te doen trillen in Nederlandsche harten". Dit lukte wonderwel onder leiding van de "levendige, enthousiaste dirigent Schoonderbeek", zoals deze in de kritieken genoemd werd.
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 werd de vraag gesteld of het koor zou doorgaan of niet. "Mogen we zingen?" werd in het huisorgaan gevraagd. "Moeten we niet zoo wanhopig zijn, dat we slechts weenen kunnen?" Een uitvoering van Händels Messias kort daarna bracht het antwoord. Bovendien werd in 1916 het 35-jarig bestaan gevierd met een concert in het Gebouw voor K. en W., waarop ten gehore gebracht werden de Voorspelen en Reyen uit Vondels Gijsbrecht van Aemstel van Bernard Zweers en de Missa in es van Willem Andriessen. De duurste plaats kostte ƒ 2,-, de goedkoopste ƒ 0,60. Vond men dit nog te kostbaar, dan kon men naar de generale repetitie gaan, entreeprijs: ƒ 0,50.
Excelsior ging onverdroten verder. In 1917 werd zelfs voor het eerst een groot werk van een Franstalige componist op het programma geplaatst: Les Béatitudes van César Franck.
In 1919 kregen, na statutenwijziging, dames toegang tot het bestuur.
Natuurlijk gingen ook de jaarlijkse Matthäus Passion-uitvoeringen gewoon door. Na de oorlog klonk Samson van Händel en in 1921 werd met de Messias van dezelfde componist het 40-jarig bestaan gevierd.
Een tegenvaller was dat dirigent Johan Schoonderbeek ziek werd en herhaaldelijk vervangen moest worden, nu eens door Johan Wagenaar, directeur van het Koninklijk Conservatorium, dan weer door Louis Boer, dirigent van de Koninklijke Kapel of door Anthon van der Horst, wiens Jubileumcantate ter gelegenheid van het zilveren jubileum van H.M. de Koningin ten gehore gebracht werd.
Dit jubileum bracht trouwens een hele drukte met zich mee, want Excelsior had de eer vier maal te mogen optreden in de dagen rond 31 augustus 1923 en de Koningin te mogen toezingen. Het speciaal ontworpen nieuwe vaandel werd meegedragen.
Anthon van der Horst behoorde tot de meest gerenommeerde dirigenten die het koor hebben geleid. Hij gold onder meer als een groot Bach-kenner. De foto dateert van rond 1937.
In 1924 was de actieve voorzitter van Excelsior, de Heer J.R. Snoeck Henkemans, 25 jaar in functie en werd hem een erelied opgedragen.
In hetzelfde jaar nog werd het oratorium Le Roi David van Honegger gebracht. Het was de première van dit werk in Nederland.
Een enorme schok was het overlijden van Johan Schoonderbeek in 1927, dirigent van Excelsior sinds 1908, oprichter van de Nederlandse Bachvereniging en een alom geëerd man. De zo zwaar bekritiseerde "periode Stronck" brak aan. Professor Richard Stronck, echtgenoot van de bekende zangeres Anna Kappel, was enkele keren ingevallen voor de reeds lang zieke Johan Schoonderbeek en het lag voor de hand, dat men hem zou vragen de dirigeerstaf over te nemen. Met zijn leiding over de Matthäus Passion-uitvoering in 1926 in de Willemskerk, waarbij aanwezig waren de Koningin-Moeder en Prins Hendrik, had hij een bevredigende indruk nagelaten. Maar al gauw keerde het getij en de geëerde prof. Stronck kreeg de ene slechte kritiek na de andere. Wanneer men weet, dat de muziekkritieken vaak op de frontpagina's van de kranten verschenen en meer dan twee kolommen lang waren, begrijpt men, dat er maatregelen genomen moesten worden. Naarstig werd naar een vervanger gezocht, die "hoogst muzikaal en hoogst religieus" moest zijn. Na lang beraad werd Anton Tierie gekozen. Toch werkte Excelsior nog onder Stronck mee aan de aubade voor H.M. de Koningin-Moeder voor het Paleis Voorhout op 27 oktober 1928, waarbij onder andere gezongen werd "Wij willen Holland houen" van Arnold Spoel.
Ter inleiding van de viering van het 50-jarige bestaan in 1931 organiseerde men een bazar om de nodige fondsen bij elkaar te krijgen, want "kunst vraagt geld". Als jubileumcompositie was gekozen Les Béatitudes van César Franck. Van de solisten noemen wij Jo Vincent, Suze Luger en Louis van Tulder.
De eerste integrale uitvoering van de Matthäus Passion had plaats in 1932. Vóór die tijd was het de gewoonte coupures aan te brengen om het werk te bekorten. Over de directie van Anton Tierie was men over het algemeen tevreden. Alleen zijn "sissen en stampen" wekte nogal eens de wrevel van de koorleden en van het publiek op.
In 1932 werd de zo geliefde voorzitter Snoeck Henkemans 70 jaar, bij welke gelegenheid Excelsior, geëscorteerd door de bereden politie en een muziekkorps, de jarige een serenade ging brengen voor diens huis in de Bankastraat.
Hoe geanimeerd het ook allemaal toeging, financieel ging het bergafwaarts. Een Nederlandse componistenavond op 17 januari 1933 met Choros van Anthon van der Horst en een mis van Willem Andriessen opende de rij financiële tegenvallers. Aan het feest ter ere van de 400e geboortedag van de Prins van Oranje werd nog wel meegedaan, maar het huldigingsconcert ter gelegenheid van de 25e verjaardag van Prinses Juliana moest afgezegd worden.
Gelukkig kon de malaise het hoofd geboden worden; Excelsior kon blijven bestaan.
Op 20 maart 1934 overleed de Koningin-Moeder en moest de Matthäus Passion-uitvoering opgeschoven worden tot na Pasen.
Drie jaar later had het huwelijk tussen Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Juliana en Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard plaats en had Excelsior de eer te mogen zingen bij de inzegening in de Grote Kerk op 7 januari 1937. Het was bijna vanzelfsprekend, dat het koor ook paraat was bij de doop van Prinses Beatrix op 12 mei 1938 in de Grote Kerk.

Op 7 januari 1937 verleende Excelsior zijn muzikale medewerking aan de kerkelijke inzegening van het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard. Plaats van handeling is de Grote Kerk in Den Haag. Het koor staat linksboven op het balkon.
Inmiddels had Anthon van der Horst in 1937 de dirigeerstok overgenomen van Anton Tierie en begon een nieuwe periode. Helaas een duistere periode, want het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in mei 1940 bracht vele moeilijkheden met zich mee. In het begin trachtte men gewoon door te gaan. Op Tweede Kerstdag 1940 werd in het Gebouw voor K. en W. Händels Messias gezongen en op 7 en 8 april 1941 werd in de verduisterde Willemskerk Bachs Matthäus Passion uitgevoerd, maar in 1942 besloot men er mee op te houden. De koninklijke goedkeuring liep af, men kon stellen dat Excelsior officieel niet meer bestond en dus ook geen lid behoefde te worden van de Cultuurkamer.
Toch kwam in het geheim nog een Matthäus Passion-uitvoering tot stand. Dit was in april 1944 ten huize van een van de leden in de Aalbessenstraat. De koorleden, zestien in getal, zongen bij deze gelegenheid ook de solopartijen.
Groot was de vreugde, toen Excelsior mocht meedoen met de vaandelgroet aan H.M. de Koningin op 6 juli 1945 bij haar terugkeer in de Residentie na een gedwongen afwezigheid van vijf jaren. De oorlog was voorbij en snel werd aan Hare Majesteit een hernieuwde erkenning aangevraagd. Excelsior nam de vocale draad weer op. Een nieuwe ledenwerving begon en in 1951, het jaar van het 70-jarig bestaan, was het aantal gebracht op ongeveer 160. Beschermheer werd burgemeester F.M.A. Schokking.
Grote werken stonden wederom op het repertoire: Messias van Händel met in 1953 als bijzonderheid de medewerking van de bekende countertenor Alfred Deller als solist in de altpartij, Requiem van Mozart, Te Deum van Bruckner, Samson van Händel. Voor de viering van de bevrijding in 1955 werd een programma gekozen, bestaande uit Psalmus Hungaricus van Kodaly en Te Deum van Van der Horst.
Het was onder leiding van Anthon van der Horst, dat in 1956 het 75-jarig bestaan herdacht werd met de vertolking van Bachs cantate Jauchzet Gott in allen Landen, Bachs Magnificat en Mozarts Messe in c-moll. Helaas moest Anthon van der Horst in de zomer van 1957 na een 20-jarige periode zijn werk bij Excelsior om gezondheidsredenen beëindigen. Als kenner bij uitnemendheid van de Matthäus Passion en Bachs kerkmuziek heeft hij de leden van Excelsior zeer veel geleerd.
De Matthäus Passion-uitvoeringen gingen gestadig door, vanaf 1958 onder leiding van Simon C. Jansen, de opvolger van Anthon van der Horst. Een belangrijke artistieke daad van de nieuwe dirigent was het in studie nemen van The Apostles van Edward Elgar.
In mei 1960 belegde de toenmalige wethouder van Onderwijs en Kunstzaken J. van Zwijndrecht een vergadering met de vertegenwoordigers van de zes grote koren in Den Haag om onder andere de vergrijzing van de leden en de repertoirekeuze te bespreken. Een meer moderne compositiekeuze werd gesuggereerd. Dat dit op bezwaren stuitte bij het publiek zowel als bij de koorleden, was te verwachten. Vooral het Excelsiorpubliek bleef traditioneel van aard. In 1962 werd zelfs aanmerking gemaakt op de witte stola's, die sommige dameskoorleden over hun zwarte avondjaponnen droegen. In het Kontaktorgaan, getiteld Ex-Re-Glo, werd dan ook gevraagd naar meer uniformiteit in de kleding. Per slot van rekening moet men het de concertbezoekers naar de zin maken.

Van 1964 tot 1972 was de muzikale leiding over het koor in handen van Rocus van Yperen. Deze periode viel ongeveer samen met de tijd waarin hij bij de krijgsmacht de functie van inspecteur der militaire muziek vervulde. Op deze foto draagt Van Yperen het ceremoniële tenue van de Grenadiers.
Foto: NIMH, Den Haag.
De meer moderne repertoirekeuze kwam vooral aan bod tijdens het dirigentschap van Rocus van Yperen van 1964 tot 1972. Natuurlijk werd strikt de hand gehouden aan de jaarlijkse Matthäus Passion-uitvoeringen en aan de vertolking van andere werken uit het ijzeren repertoire, maar er verschenen langzamerhand steeds meer nieuwe namen op de programma's zoals La Croisade des Enfants van Pierné, Brittens War Requiem, De Profundis van Driessler en in 1971 Gurrelieder van Schönberg. Het War Requiem van Britten werd in 1970 uitgevoerd bij de herdenking dat Nederland 25 jaar geleden werd bevrijd. Op 13 november 1971 werden de Gurrelieder samen met zes andere koren onder auspiciën van de Belgische Radio en Televisie en in het kader van het 25-jarig bestaan van het Belgisch-Nederlands Cultureel Akkoord in het Circustheater te Scheveningen gezongen. Op 15 november volgde de herhaling in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel.
Een grote tegenvaller vormde het teruglopen van de belangstelling voor de Matthäus Passion. In 1970 werd dan ook besloten de jaarlijkse opvoeringen te staken en het werk beurtelings met Toonkunst te brengen. In 1970 werd medewerking verleend aan het Koninginneconcert in de Houtrusthallen, waarop samen met andere koren onder leiding van Willem van Otterloo Beethovens Negende Symfonie tot klinken kwam.

De Willemskerk aan de Nassaulaan was van 1913 tot circa 1960 de locatie waar Excelsior, met uitzondering van 1942 tot 1945, jaarlijks de Matthäus Passion uitvoerde. Sinds 1950 gebeurde dat onder begeleiding van een eigen orgel, dat het koor zelf had aangekocht. Dit instrument, dat in 1842 was gebouwd voor de Gotische Zaal van koning Willem II, keerde daar in 1990 na vele omzwervingen terug. In 1975 kwam de Willemskerk na een grondige verbouwing in gebruik bij de Nederlandse Vereniging voor Nederlandse Gemeenten. Foto: Gerdien Heringa.
Een teleurstelling was in 1972 de opzegging door Rocus van Yperen. De dirigent gaf er de voorkeur aan te werken met een kleiner koor dan Excelsior. Gelukkig werd snel een dirigent gevonden: Jaap Hillen. Een teleurstelling was ook, dat het Residentie Orkest in 1973 zelf de Matthäus Passion ging brengen onder leiding van de Weense barokspecialist Nikolaus Harnoncourt en dat hiervoor een klein vocaal ensemble aangetrokken werd. Het bestuur tekende protest aan bij B. en W. tegen de "oneerlijke concurrentie", maar dat mocht niet baten.
De tegenslagen temperden evenwel niet de levenskracht van Excelsior. Met grote ijver werkte men door, het oratorium Le Roi David van Honegger werd in studie genomen en ten uitvoer gebracht. Het koor wilde bewijzen, dat het bestaansrecht had, een opzet waar het ten volle in slaagde. Er volgden in de daaropvolgende jaren onder andere uitvoeringen van Brittens War Requiem, ditmaal in samenwerking met het Toonkunstkoor uit Arnhem, in het Circustheater te Scheveningen en in Musis Sacrum te Arnhem, van Mozarts Grosse Messe, Poulencs Gloria en van een aantal kleinere werken. Excelsior zong op 8 mei 1976 op het feestconcert ter gelegenheid van het 90-jarig bestaan van de Koninklijke Bond van Zang- en Oratoriumverenigingen in het Congresgebouw en voerde in hetzelfde jaar ook Bachs Weihnachtsoratorium uit, het werk dat al vele jaren op het programma stond.

Omdat de vereniging zich tijdens de bezetting niet bij de Kultuurkamer wilde aansluiten, was het haar verboden om in het openbaar een concert te geven. Zodoende namen enkele koorleden in 1944 het initiatief de Matthäus-Passion in besloten kring uit te voeren. Dat gebeurde bij een van de leden thuis in de woonkamer. De foto toont een reconstructie uit 1986 van dit bijzondere evenement.
In 1977 stond plotseling weer een dirigentenwisseling voor de deur. Jaap Hillen kondigde zijn vertrek aan en naarstig werd naar een opvolger gezocht. Deze werd gevonden in de jonge bekwame musicus Hans van der Toorn.
Het eerste concert onder diens leiding had plaats op 27 januari 1978 in de Oude Kerk te Scheveningen. Het programma bestond uit Ein deutsches Requiem van Brahms en Five Mystical Songs van Vaughan Williams. Aan het eind van het jaar volgde nog een concert met
de Vesperae Solennes de Confessore van Mozart, Te Deum van Mozart en Messe de Minuit van Charpentier.
Met Hans van der Toorn begon een frisse wind door de gelederen van Excelsior te waaien. De jeugdige leider mocht dan de dertiende in successie zijn, een onheilsbrenger bleek hij beslist niet. Dit bewezen ook de uitvoeringen in 1980, op 12 maart van het Requiem van Duruflé, het Magnificat van Hendrik Andriessen en O be joyful in the Lord van Vaughan Williams en op 15 november van Haydns oratorium Die Jahreszeiten.
Nu is het precies 100 jaar geleden, dat het allemaal begon in een lokaal van de Weeshuisschool in de Koningstraat. De Koninklijke Zangvereniging heeft lichte en donkere, zelfs zeer donkere tijden gekend. Ze heeft zich staande weten te houden en zal zich ook in de toekomst staande weten te houden door en met het geloof in de woorden van Luther:
"Gaarne zou ik zien, dat alle kunsten, maar inzonderheid de Musica, gewijd werden aan de dienst van Hem, die ze gegeven en geschapen heeft."
Met vertrouwen wordt een nieuwe eeuw betreden.
Willy Lievense.
© KZV Excelsior Den Haag 2011